Training woordenlijst

Acidose: (verzuring)......................................................................................................................................................................................
Verstoring van het zuur-base-evenwicht door toename van de zuurgraad (= afname van de pH = verzuring) als gevolg van ophoping van zuren in het lichaam en/of verlies van alkali. Hierdoor wordt het bloed zuur
Ademhaling:
De ademhaling maakt het samen met het hart en bloedvaten mogelijk om zuurstof aan het bloed af te geven en koolstofdioxide uit te ademen.
Adrenaline:
Adrenaline is een neurotransmitter die gemaakt wordt in je bijnieren. Adrenaline maakt deel uit van je overlevingsmechanisme. Het vervult dus een heel belangrijke functie. Adrenaline zorgt er bijvoorbeeld voor dat je hart sneller gaat kloppen en dat je bloeddruk tijdelijk stijgt. Hierdoor kom er meer bloed en zuurstof in je spieren, waardoor je krachtig kunt reageren op een bedreigende situatie.
Aëroob en Anaëroob:
Aeroob betekent grofweg ‘met zuurstof’ terwijl anaeroob ‘zonder zuurstof’ betekent
Aërobe trainingen:
Aerobe trainingen zijn met een lagere intensiteit die van langere duur zijn. Je kunt hierbij denken aan wandelen, joggen en langeafstandfietsen. Je kunt deze training dan ook langer volhouden dan een anaerobe training.
Aërobe uithoudingsvermogen:
Een term voor iemands aërobe conditie capaciteit - hun vermogen om langdurige oefening doen zonder vermoeidheid.
A.D.P.:
A.D.P. is een afkorting van Adenosine Disphosphate. Het energiearme product dat geproduceerd wordt wanneer ATP energie in de cel gebracht heeft.
Afweersysteem:
Het afweersysteem beschermt het lichaam tegen ziekteverwekkers
Agility:
Versnelling en verandering van richting van de beweging met behoud van een goede beheersing van het lichaam (balans) zonder vermindering van de snelheid.
Agonisten
Spieren die zelfstandig werken. Een agonist is een zelfstandig werkende spier in ons lichaam. Er is ook een antagonist die exact het tegenovergestelde doet van de agonist.
Alkalose:
Alkalose is een te hoge basiciteit van het bloed door ophoping van bicarbonaat in het bloed of verdwijnen van zuur uit het bloed (metabole alkalose) Of door  een lage kooldioxideconcentratie in het bloed als gevolg van snelle of diepe ademhaling (respiratoire alkalose)
Anaërobe:
Anaërobe reacties vinden plaats in de cellen van het lichaam zonder de aanwezigheid van zuurstof. Anaerobe training van hoge intensiteit en korte duur.
Anaërobe drempel:
Het fysiologische punt tijdens training wanneer melkzuur gaat ophopen in de spieren. 
Anaërobe training:
Anaerobe trainingen zijn trainingen met een hoge intensiteit die van korte duur zijn, zoals bijvoorbeeld krachttraining, touwtjespringen of sprintjes trekken. Je lichaam moet in een korte periode heel snel energie produceren zonder de hulp van zuurstof. Door de beperkte aanwezigheid van zuurstof kan je deze activiteit slechts voor een relatief korte periode volhouden.
Aminozuren:
Aminozuren zijn de bouwstenen waaruit eiwitten zijn opgebouwd
A.T.P.:
A.T.P. is een afkorting van Adenosine trifosfaat De energie die via een groot aantal stofwisselingsstappen wordt vrijgemaakt en opgeslagen opdat de cel er iets mee kan. ATP wordt gevormd uit ADP en fosfaat, dit poces heet oxidative phosphorylation (OXPHOS)
Basaal metabolisme:
Basaal metabolisme is de stofwisseling die nodig is om de minimale hoeveelheid energie te leveren die noodzakelijk is voor primaire levensprocessen van een organisme. Onder deze levensprocessen vallen onder andere ademen, hartslag, en alle processen die op cel en weefselniveau doorgaan tijdens rust.
Conditie:
In de volksmond gebruiken we het woord "conditie” vaak om aan te geven hoe fit we ons voelen. Eigenlijk betekend conditie niets meer of minder dan "voorwaarde”.
Creatinefosfaten:
Creatinefosfaten behoort tot het anaerobe metabolisch systeem. het is een energierijke stof die zich in je spiercellen bevindt. Creatinefosfaten komt van nature in je lichaam voor en het zit ook in diverse voedingsmiddelen, zoals vlees en vis. Creatinefosfaten zorgen voor het samentrekken van je spier, op het moment dat je begint met beweging
Energiesystemen:
Om te zorgen dat er altijd ATP beschikbaar is, heeft het lichaam drie energiesystemen ter beschikking: de fosfaatpool, het melkzuursysteem en het zuurstofsysteem.  
Flexibiliteit:
Flexibiliteit is het vermogen van een gewricht om zich vol te kunnen bewegen in een normaal bewegingsbereik. Daarnaast is flexibiliteit gewrichtsspecifiek. Flexibiliteit heeft te maken met de rekbaarheid van zachte weefsels die om het gewricht liggen. 
Fosfaatpool:
De eerste fase van het bewegen maakt gebruik van de fosfaatpool. Dit zijn de voorraden ATP en CP rond een spiercel. Samen  is dit voldoende voor ongeveer 20 tot 30 seconden lichte en 10 seconden maximale inspanning van een spier. Voor de werking van de fosfaatpool is geen zuurstof nodig en er komt ook geen melkzuur vrij, daarom wordt dit ook wel het anaërobe a-lactische systeem genoemd.
Glycogeen: 
De vorm waarin koolhydraten in het lichaam worden opgeslagen. Primaire locaties voor opslag zijn de spieren en de lever.
HF max:
HF max is de maximale hartfrequentie 
Koolhydraten:
Suikers, zetmeel en vezels zijn vormen van koolhydraten in onze voeding. Suikers en zetmeel zijn koolhydraten die een belangrijke bron van energie zijn voor het lichaam.
Melkzuur:
Melkzuur zorgt ervoor dat je bij zware inspanning door anaerobe afbraak van energievoorraden een ophoping krijgt van lactaat in de spieren en daar voor tijdelijke spierpijn hebt. Lactaat ontstaat als je meer energie verbruikt dan je lichaam kan produceren en de afvalstoffen kan afvoeren.
Melkzuursysteem:
Het melkzuursysteem (anaëroob lactisch systeem) heeft wat seconden nodig om op gang te komen, maar tegen de tijd dat de voorraden ATP en CP verbruikt zijn is het systeem goed op gang. Bij lichte inspanning bereikt het systeem na ongeveer 45 seconden zijn maximum. Na ongeveer twee minuten is het systeem uitgeput. De naam melkzuursysteem komt van de bij dit systeem gevormde melkzuur. Dit is een restproduct van een verbrandingsproces zonder (voldoende) zuurstof. Ophopingen van het melkzuur zorgen voor spierpijn.
Motorische basisvaardigheden:
Er zijn 5 motorische basisvaardigheden die ons fysieke prestatievermogen bepalen. Dit zijn uithoudingsvermogen, kracht, snelheid, techniek & coördinatie en lenigheid.
Overload:
Overload betekent letterlijk ‘zwaarder dan normaal’, en dat is in de kern precies waar het principe van overload of progressieve belasting om draait. Het lichaam is een bepaalde inspanning of taak gewend (normaal) en om inspanningen te leveren die boven dat niveau uitkomen, moet het lichaam zwaarder belast worden dan het gewend is. Omdat die grens steeds opschuift, moet de belasting progressief zijn, dat wil zeggen dat de belasting moet worden verhoogd wanneer het lichaam aan de nieuw opgelegde inspanning gewend is geraakt.