Basis techniek

Beginnende spelertjes moeten in hun beginfase leren hoe ze kunnen passen, trappen, dribbelen, drijven, aannemen, stoppen, koppen, schieten en de combinaties van al deze voetbalvaardigheden. Hieronder hebben we een aantal basistechnieken op een rijtje gezet.


Pass binnenkant voet
1. Voet goed naast de bal zetten, niet te ver van de bal en niet te dichtbij, zeker niet voorbij de bal. Het standbeen moet licht gebogen zijn. 
2. Been naar achteren zwaaien, voet zo ver mogelijk naar buiten draaien, teen optrekken zodat er spanning op de voet komt te staan. 
3. De bal spelen in het hart van de bal (midden). Bal meer aan de zijkant raken om hem een draai te geven. Meer aan de onderkant raken om de bal omhoog te laten gaan, nooit aan de bovenkant raken.
4. Vlak na het raken van de bal de voet stilhouden voor een zachte pass, voor een harde pass het been goed doorzwaaien. 

 

Bal trappen met de wreef
Bal trappen met de binnenkant/bovenkant (wreef) van de voet. (kort-lang)
Het standbeen naast de bal plaatsen en de voet richten daar waar de bal heen moet (richting).
Het standbeen licht gebogen.
Het bovenlichaam strekken en naar achter hellen.
De armen zijwaarts brengen (balans).






Trappen en aannemen van de bal
Oefening: Twee-tallen
Bal met binnenkant voet trappen, ontvanger met de buitenkant voet (wreef) stilleggen.
De trapper, neus schoen van het standbeen in de richting waar de bal naartoe moet.
De ontvanger, de bal na aanname met de binnenkant van dezelfde voet trappen.



De ingooi (zelfs in de Eredivisie gaat de ingooi regelmatig fout!)
1. Na een eventuele aanloop zorgen dat beide benen aansluiten en achter de lijn staan 
2. Bal in de nek brengen en met twee handen vast houden 
3. Rug hol maken en de bal naar achteren brengen om de bal meer vaart te geven 
4. Rug bol maken en het bovenlichaam naar voren brengen, de bal vanuit de nek naar een medespeler gooien



Basis dribbelen
Rustige looppas met de bal aan de voet, ontspannen lopen op de voorvoet.
Elke stap de bal raken, binnenkant links naar binnenkant rechts en terug.
De bal schuin naar voren spelen, zodat de bal niet onder het lichaam komt.




Vooruit achteruit rollen met voetzool
Wandeltempo, de bal met de onderkant van de voorvoet met elke stap meenemen.
Zowel vooruit als achteruit, met elke stap van voet wisselen.
Denk aan houding lichaam, recht niet gaan hellen, op de voorvoet stappen.
Tempo langzaam opvoeren



Met de voetzool terughalen en voortduwen
Met de voetzool de bal terughalen en direct daarna vooruit duwen met de wreef van de voet, aansluitend dribbel (binnenkant, buitenkant voet) over op andere voet.
Het standbeen blijft bij het terughalen van de bal niet staan (niet stijf staan) maar beweegt mee.
Bewegen op de voorvoet, licht door de knieën


Rol zijwaarts
Ga haaks op de looprichting staan. Maak met het linkerbeen een stap naar links en neem daarna de
bal onder de voet van het rechterbeen mee (rollen) stop de bal met het standbeen dat is neergezet.
Idem, maar nu andersom uitvoeren.
Aanwijzingen:
De oefening lukt alleen als je goed naast de bal staat. - Om goed uit te komen moet zowel de
bewegingsinzet als de looprichting van de bal zijwaarts zijn. - De beweging wordt zijwaarts ingezet
met het linkerbeen in de looprichting en daarna wordt de bal meegenomen (rollen) onder de voet van
het rechterbeen



Hak voorvoet
Sta op de plaats met de bal onder je. Haal de bal met de voorvoet naar achteren en breng hem met
de hak wederom naar voren. Links en rechts om en om.
Aanwijzingen:
- Rechte rug
- Voer de oefening rustig uit en wanneer je hem onder de knie hebt voer je de snelheid op
- Klein tikje met je hak, niet te hard anders ben je niet meer baas over de bal.



Met de bal aan de voet van richting veranderen (kappen)
Het kappen van de bal, het kan met de binnenkant van je voet, met de buitenkant van je voet óf achter je standbeen langs.

Met de binnenkant van de voet de bal om het standbeen meenemen:
De bal blijft "voor” het lichaam.
Het standbeen op de voorvoet meedraaien.
Zowel links als rechts om.



Het koppen van de bal
Koppen afzet met twee benen 
1. Twee benen staan naast elkaar, je zakt door de knieën om vaart te maken 
2. Knieën strekken op het juiste moment om los te komen van de grond 
3. Onderbenen naar achteren brengen en het bovenlichaam (en hoofd) ook naar achteren brengen, het lichaam staat nu gespannen als een soort boog 
4. De bal koppen door het bovenlichaam en hoofd naar voren te brengen, ook de benen worden gestrekt, zodat de bal veel vaart gegeven kan worden

Koppen afzet met één been 
1. Een aanloop nemen en de knie buigen van het been waarmee afgezet gaat worden 
2. De knie weer strekken en loskomen van de grond 
3. Het bovenlichaam naar de zijkant brengen tegenover gesteld aan de koprichting 
4. Het hoofd en bovenlichaam naar de bal toe slaan, waardoor de bal voldoende vaart krijgt



Controle van een aangeworpen bal 
1. Aangeworpen bal terugspelen met de binnenkant van de voet
Aanwijzingen: De speler die de bal ontvangt zorgt dat hij een korte trippling maakt op de plaats zodat hij goed kan reageren op de bal. De speler die aanwerpt gooit hem tussen knie en heuphoogte. Zorg ervoor dat je tijdens het passen in balans bent. Lichaam recht iets door je knieën. En stuur de bal met je
armen/handen. Links en rechts uitvoeren.

2. Aangeworpen bal terugspelen met de wreef
Aanwijzingen: Idem als 1 - Voet aanspannen als je de bal speelt. Links en rechts uitvoeren.


3. Aangeworpen bal ontvangen op de knie en terugspelen
Aanwijzingen: Idem als 1 - De speler die aanwerpt gooit hem op de knie.Voet aanspannen als je de bal speelt. Houd de knie 90 graden als je de bal aanneemt. Niet te hoog dan springt de bal weg. Links en rechts uitvoeren.

4. Aangeworpen bal ontvangen met de borst en terugspelen
Aanwijzingen: Idem als 1 - De speler die aanwerpt gooit met een boogje richting de borst. Voet aanspannen als je de bal speelt. Holle rug maken en duw de bal met de borst omhoog. Links en rechts uitvoeren.


Schijn en passerbewegingen Schieten met binnenkant Passen en aannemen Balgevoel trainen