O
De Energiesytemen
Voetballers leveren tijdens het spelen van een wedstrijd veel arbeid. Voor deze (spier)arbeid is veel energie nodig. In het lichaam ligt echter slechts een kleine hoeveelheid energie opgeslagen die hiervoor kan worden gebruikt. Het lichaam moet daarom voeding tot zich nemen om aan zijn energie te komen. Het vrijmaken van die energie kan op verschillende manieren plaats vinden en is afhankelijk van de duur en intensiteit van de inspanning. Elke prestatie vraagt vraagt om een geheel eigen aanpak van het lichaam en doen ieder op hun eigen manier een beroep op de energievoorraden.

Voedingsstoffen
Koolhydraten
Koolhydraten worden ook wel suikers genoemd. Enkelvoudige suikers zoals glucose (druivensuiker) en vruchtensuiker kunnen direct uit het spijsverteringskanaal worden opgenomen in het bloed. Daarom worden deze ook wel ‘snelle suikers’ genoemd. Lichaamscellen kunnen alleen glucose opnemen, andere suikers worden eerst door de lever omgezet in glucose. Samengestelde suikers bestaan uit zeer veel eenheden glucose die aan elkaar gekoppeld zijn. Voorbeelden zijn zetmeel (plantaardige opslagvorm van glucose) en glycogeen (dierlijke opslagvorm van glucose). Deze suikers moeten eerst worden afgebroken en worden dus ‘langzame suikers’ genoemd

Eiwitten
Eiwitten worden afgebroken tot aminozuren. Aminozuren kunnen door de darmwand worden opgenomen en getransporteerd in het bloed. Enkele aminozuren kan de lever ook zelf maken, maar niet allemaal. Deze worden essentiële aminozuren genoemd en moeten dus in voldoende mate in de voeding aanwezig zijn. Dierlijk voedsel bestaat voor een groot gedeelte uit eiwitten, maar ook planten bevatten eiwitten. Normaal gesproken wordt aangehouden om 0,8 g eiwit per kg lichaamsgewicht per dag te eten. Gemiddeld nemen Nederlanders ongeveer 100 g per dag. Dat is dus bijna tweemaal de aanbevolen hoeveelheid (iemand van 70 kg heeft 0,8 * 70 = 56 g eiwit per dag nodig). Sommige sporters nemen veel extra eiwit, maar dit is zinloos. De behoefte aan eiwit als bouwstof neemt maar weinig toe bij zware lichamelijke inspanning. 1,5 tot 2 g per kg lichaamsgewicht per dag is zeker voldoende. Overmatige inname van eiwitten wordt geassocieerd met het ontstaan van nierstenen en mogelijk aderverkalking.

Vetten: 
Vetten worden gebruikt als brand- en bouwstof. Het verbranden van vetten levert veel meer energie dan koolhydraten. Eén gram vet bevat meer dan tweemaal zoveel energie als een gram koolhydraten. Vetten worden afgebroken tot vetzuren. Vetzuren kunnen zowel onverzadigd of verzadigd zijn. Onverzadigde vetzuren spelen een belangrijke rol bij de cholesterolhuishouding. Meer onverzadigde vetzuren in de voeding wordt in verband gebracht met het voorkomen van aderverkalking. In het algemeen bevatten vetten die vast zijn bij kamertemperatuur (frituurvet, boter) veel verzadigde vetzuren. Vloeibare oliën (olijfolie, zonnebloemolie) zijn rijk aan onverzadigde vetzuren. Vetten kunnen in het lichaam worden opgeslagen als reservebrandstof. Ook koolhydraten die niet worden benut als brandstof kunnen worden omgezet en opgeslagen als vet. De meeste mensen worden niet dik van het eten van te veel vet, maar door teveel koolhydraten

ATP en creatine fosfaat
Het menselijk lichaam gebruikt koolhydraten, 
vetten en eiwitten om energie te verkrijgen maar koolhydraten, vetten en eiwitten kunnen niet
direct gebruikt worden voor het verrichten van arbeid. Deze voedingsstoffen moeten in het lichaam eerst worden omgezet in een energievorm,
namelijk het ATP (Adenosine-Tr-Fosfaat). In het lichaam kunnen namelijk alleen activiteiten plaatsvinden met behulp van energie in de vorm van ATP.

Voor het omzetten van voeding in ATP beschikt het lichaam over drie energiesystemen:
  • het zuurstofsysteem
  • het fosfaatsysteem
  • het melkzuursyteem
Het zuurstofsysteem:
De meest gunstige manier voor het lichaam om ATP te produceren is met behulp van zuurstof (aëroob) het zuurstofsyteem zet in de spieren koolhydraten, vetten en (in iets mindere mate) eiwitten om in ATP.
Hierbij ontstaat kooldioxide CO2 en warmte. Dit wordt door het bloed afgevoerd. (Zie afbeeldingen hier rechts)


De maximale zuurstofopname
De hoeveelheid zuurstof die het lichaam verbruikt per minuut wordt de zuurstofopname VOgenoemd.
In rust is de zuurstofopname ongeveer 0.3 liter per minuut. Tijdens inspanningen hebben de spieren meer ATP nodig, dus zullen de spieren meer zuurstof uit het bloed halen om de extra benodigde energie te kunnen produceren.
Een grotere zuurstofbehoefte in de spieren vraagt om een grotere bloedstroom in de richting van deze spieren. Het hart zal dus per tijdseenheid meer bloed moeten uitpompen. Dit uit zich dan in een toename van de hartslag en het slagvolume.
De capaciteit van het lichaam om zuurstof op te nemen is echter beperkt. Als de hartslag tijdens inspanning naar zijn maximale waarde is gestegen, heeft het lichaam zijn maximale zuurstoftoevoer naar de spieren bereikt. 
(Maximale hartslag is gemiddeld 220 hartslagen per minuut met aftrek van de leeftijd van de persoon)

Na maanden trainen, neemt het percentage (%VO2max) meer toe  als de VO2-max zelf

Het fosfaatsysteem
Het fosfaatsysteem is een van de anaërobe energiesystemen in het lichaam. Anaëroob (an = niet; aero = lucht) wil zeggen dat dit systeem geen zuurstof nodig heeft om de spieren van ATP te voorzien. Het fosfaatsysteem is eigenlijk bedoeld voor onmiddelijke acties en staat altijd gereed en is bij zuurstoftekort de snelste manier om ATP te produceren. In het fosfaatsysteem ligt maar een kleine hoeveelheid ATP opgeslagen en hiermee kan ongeveer 1 - 2 seconden maximale arbeid worden geleverd. Daarnaast beschikt het systeem nog over Creatine fosfaat (CP) dat heel snel in ATP kan worden omgezet en hiermee kan nog enkele seconden arbeid worden geleverd. Als het fosfaatsysteem geheel is uitgeput, duurt het ongeveer 60  - 90 seconden alvorens de ATP en CP voorraden weer geheel zijn aangevuld.



Het melkzuursysteem
Soms moeten voetballers langer dan 10 seconden achter elkaar intensieve arbeid leveren. Dan schiet ook het fosfaatsysteem tekort.
In dat geval wordt het tweede anaërobe energiesysteem in het lichaam actief: het melkzuursysteem.
Moet een voetballer langer dan 30 seconden intensieve inspanning leveren dan komt het melkzuursysteem het fosfaatsysteem te hulp.
Er wordt dan een beroep gedaan op het a-cyclische 
anaërobe uithoudingsvermogen, dit is het vermogen om langere tijd anaëroob arbeid te leveren. Het principe van dit systeem is dat koolhydraten (glyogeen/suikers) worden omgezet in ATP zonder dat zuurstof wordt gebruikt.
Het nadeel van dit proces is dat er melkzuur wordt gevormd als afvalproduct. Melkzuurophoping zorgt voor vermoeidheid in de spieren.
Een ander woord voor melkzuur is lactaat. Daarom wordt het fosfaatsysteem dat (waarbij geen melkzuur wordt gevormd) ook wel a-lactisch (niet melkzuur) en het melkzuursysteem lactisch (wel melkzuur). Deze termen worden gebruikt om een onderscheid te maken tussen de twee 
anaërobe systemen.