Voetbaltraining Fysieke eisen

Fysieke eisen Pim Koolwijk, Jan Van Winckel (artikel uit Boek voetbal-conditie)

 

 

10.1 Inleiding

 

 

Om een specifiek trainingsprogramma op te stellen is het noodzakelijk de specifieke eisen van de sport te kennen. In sporten met een gesloten karakter, zoals zwemmen of atletiek, is het makkelijker om de verschillende facetten van het bewegingspatroon te analyseren. In voetbal is dat, net als in andere ploegsporten, veel moeilijker. Voetbal wordt gespeeld met elf spelers die elk een andere functie invullen. Deze verschillende taakomschrijvingen resulteren in een ander bewegingspatroon. Een middenvelder zal meer afstand afleggen dan een centrale verdediger. Een flankspeler zal meer sprints doen tijdens een wedstrijd dan een centrale verdediger. In dit hoofdstuk maken we een analyse van de fysieke eisen van elke positie.

10.2 Activiteitenprofiel

 

 

Wetenschappelijke publicaties tonen aan dat het voetbal gedurende de laatste twintig jaar enorm geëvolueerd is. Er wordt steeds meer afstand afgelegd (9-14 km) (Sven Bender van Dortmund liep 13,5 km tijdens de groepsstages van de Champions League 2011-2012) en er worden vooral meer hoogintensieve inspanningen afgelegd tijdens de wedstrijd. Minder dan 2 % van de afstand wordt afgelegd met bal. Eén van de eerste studies die de loopafstand bepaalden, werd afgenomen bij de Engelse Premier League club Everton. De onderzoekers stelden vast dat de gemiddelde speler ongeveer 8 800 meter aflegde tijdens een wedstrijd. Ongeveer twee derde van deze afstand werd afgelegd door laagintensieve inspanningen (wandelen, joggen) en 800 meter werd er gesprint. In 1976 onderzocht Thomas Reilly de looppatronen van spelers in de Engelse Premier League. De spelers veranderden elke 5-6 seconden van activiteit en ze sprintten elke 90 seconden 15 meter. De afgelegde afstand varieerde van 8 tot 11 kilometer. Van deze totale afstand werden 25 % wandelend afgelegd, 37 % joggend, 20 % aan laagintensieve snelheid, 11 % aan hoogintensieve inspanning en 7 % achterwaarts lopend. Deze studie werd bevestigd door onderzoek in Japan. De onderzoekers toonden aan dat 70 % van de afgelegde afstand werd gerealiseerd aan een snelheid van minder dan 4 meter per seconde. Verder werd er aangetoond dat er een hoge correlatie bestaat tussen de VO2 max, het aantal sprints tijdens een wedstrijd en de afgelegde afstand tijdens een wedstrijd. Dat toont aan dat een aerobe conditie nodig is in het voetbal. Voetbal is dus een sport waarbij inspanningen aan een hoge intensiteit (ATPCP-systeem) afgewisseld worden met periodes van lage intensiteit (aeroob systeem). 

 

 

10.2.1 Evolutie in het laatste decennium

 

 

In het voorbije decennium werden er heel wat technologische middelen ontwikkeld om een wedstrijd te analyseren. Zo hebben topploegen na een wedstrijd onmiddellijk de beschikking over alle gegevens van de spelers. Deze gegevens geven ons een mooi inzicht in de fysieke evolutie van het voetbal. In 2003 werd een vergelijking gemaakt tussen het activiteitenprofiel van een Italiaans team dat uitkwam in de Champions League en spelers uit de Deense topliga. Het verschil tussen de spelers werd vooral gemaakt in het aantal hoogintensieve activiteiten. De spelers uit de Italiaanse competitie legden meer afstand af aan een gemiddelde en hoge intensiteit, terwijl hun Deense collega’s vooral meer joggend liepen. De wetenschappers merkten ook dat de spelers in het laatste kwartier significant minder afstand sprintend aflegden in vergelijking met de eerste helft. 

 

 


In 2005 werd er op basis van deze technologische middelen een studie gemaakt van enkele internationale topwedstrijden. Daaruit bleek dat in deze wedstrijden topsnelheden werden gehaald van 32 km/h (ter vergelijking: de topsnelheid van Usain Bolt is ongeveer 44 km/u) en dat sprinten van langer dan 30 m significant meer herstel nodig hadden dan sprints van 10-15 m. Op het WK 2010 haalde Javier Hernandez een snelheid van 32,15 km/u.

 

 

Een recente studie (2011) toonde aan dat het herstel tussen twee hoogintensieve inspanningen gedaald is tot 33”. Het herstel lag in 2003 en 2004 nog op 52” (figuur 10.1). Voor centrale verdedigers is deze hersteltijd ongeveer 60”, voor vleugelverdedigers (backs) 32”, voor vleugelspelers 34”, voor middenvelders 36”, en voor aanvallers 36”.

 

 

Uit deze gegevens blijkt dat spelers vooral meer meters maken aan hoge snelheid en dat de hersteltijd tussen deze inspanningen veel korter wordt. 

 

 




Conclusie voor de evolutie van het voetbal:

  • toegenomen afstand in alle posities;
  • toegenomen afstanden aan hoge snelheden;
  • toegenomen snelheid en power (snelkracht);
  • van 2002 tot 2009 is het aantal sprints in de EPL verdubbeld;
  • het aantal hoogintensieve acties verdubbelde bijna tijdens dezelfde periode;
  • het lichaamstype veranderde over de jaren van eerder ectomorf naar mesomorf. 

    10.2.2 Richtingsverandering of body loads

     

     

    Met de komst van gps-toestellen op de markt is de kennis van het activiteitenprofiel enorm toegenomen. Zo kan er vrij nauwkeurig bepaald worden hoeveel richtingsveranderingen, acceleraties en deceleraties er tijdens een training of wedstrijd gebeuren. Deze richtingsveranderingen of body loads geven een grote belasting op het lichaam. Bij een richtingsverandering krijgt de speler een belasting van 5-6 maal het eigen lichaamsgewicht te verwerken. Dat legt een enorme belasting op de spieren en gewrichten. Vooral voor spelers die zwaar zijn in relatie tot hun gestalte. Spelers veranderen meer dan 1 000 maal per wedstrijd van richting en draaien (120° of meer) 450 maal tijdens een wedstrijd. In deze statistieken worden geen tackles of sprongen opgenomen. Ook deze activiteiten vergen heel wat van de spelers.

     

     

    10.2.3 Verschillen tussen verschillende niveaus

     

     

    Het zijn vooral de inspanningen aan hoge intensiteit die de conditie weergeven van een speler. De totale loopafstand verschilt niet zo veel tussen de verschillende niveaus. Het zijn vooral de inspanningen aan hoge intensiteit, de topsnelheid en het herstel. Fysieke eisen tussen hoge intensiteit die het verschil maken. Ook het verval in het laatste half uur van de wedstrijd is lager bij spelers van hoog niveau. Onderzoek toonde aan dat elitespelers 28 % meer hoogintensieve inspanningen leveren dan spelers van een gemiddeld niveau.

     

     

    10.2.4 Verval in de laatste minuten van de wedstrijd

     

     

    Het grootste aantal doelpunten valt in het laatste kwartier. Ook het aantal gele kaarten is het grootst op het einde van de wedstrijd. Dat valt duidelijk samen met verhoogde vermoeidheid, maar wordt ook veroorzaakt door het grotere risico dat genomen wordt op het einde van de wedstrijd. Gemiddeld werd er in de Engelse Premier League (EPL) tijdens de eerste helft 5 469 meter gelopen, terwijl dit in de tweede helft terugvalt tot 5 372 m (gemiddelde van 10 481 m per wedstrijd). De afstand aan hoogintensieve inspanning was 18 % lager in het laatste kwartier in vergelijking met het eerste kwartier. Het verval in loopafstanden tussen de eerste en de tweede helft wordt steeds kleiner gedurende de jaren. De intensiteit van lopen ligt echter in de eerste helft hoger dan in de tweede helft.

    10.2.5 Het effect van veldbezetting op het activiteitenprofiel

    In dit hoofdstuk gebruikten we gemiddelden om een profielschets te maken van elke positie. Uiteraard zal dit profiel ook verschillend zijn voor elk type veldbezetting (spelsysteem) of tactiek. Vooreerst is het belangrijk een verschil te maken tussen veldbezetting en tactiek. Veldbezetting is bijvoorbeeld een 4-3-3-bezetting. Tactiek aan de andere kant zijn de tactische principes die je toepast in een wedstrijd. Enkele voorbeelden zijn: waar zet je druk op de tegenstander, wanneer kom je naar binnen als buitenspeler, dek je als flankverdediger de binnen- of de buitenkant?

     

     

    In de EPL werd een onderzoek gedaan naar de verschillende afstanden tussen de verschillende spelsystemen. Variabele 4-4-2 4-3

     

     


    Dit onderzoek toonde aan dat de totale afstand voor de drie spelsystemen dezelfde was. Ook de invloed op de verschillende posities werd onderzocht. Daarin werden de volgende significante resultaten gevonden:

    • Verdedigers liepen significant meer afstand in een 4-4-2.
    • Aanvallers liepen 30 % meer afstand aan hoge snelheden in een 4-3-3 vergeleken met een 4-5-1 of een 4-4-2.
    • Verdedigers liepen 11 % meer afstand aan hoge snelheden in een 4-4-2 vergeleken met andere spelsystemen.
    • In balbezit lopen spelers meer afstand aan hoge snelheden dan in een 4-5-1.
    • Bij balverlies lopen aanvallers in een 4-5-1 of een 4-3-3 40 tot 65 % meer aan hoge snelheden dan aanvallers in een 4-4-2-situatie.

    10.2.6 Activiteitenprofiel en leeftijd

     

     

    Data verzameld tijdens het seizoen 2009-2010 tonen aan dat alle fysieke parameters zoals snelheid, totale afstand en het aantal inspanningen aan hoge snelheid afnemen met de leeftijd. Dezelfde studie toonde echter ook aan dat de efficiëntie van spelers ook toenam met de leeftijd.

     

     


    Fysieke eisen per positie

    10.3 Analyse per positie 

     

     

    Gemiddelde waarden van de Engelse Premier League in het midden van het seizoen 2009- 2010.  

     

     



    Centrale verdedigers lopen significant minder meters aan verschillende snelheden dan de andere posities. Ze zijn echter wel significant groter en sterker dan spelers op andere posities. Gemiddeld hebben ze een BMI (verhouding van het gewicht ten opzichte van de lengte) van meer dan 25, wat erop duidt dat ze hun lengte en gewicht vooral gebruiken voor het groot aantal (kop)duels.

     

    • Uithouding: -VO2 max 55-58
    • Snelkracht: +
    • Kracht: +++
    • Wendbaarheid: ++
    • Snelheid: +
    • Gestalte: +++
    • Grote duelkracht: +++ 

    Vleugelverdedigers lopen gemiddeld meer lange sprints dan spelers op andere posities. Zij zijn daarom vooral snel op langere afstanden (20-40 m). Dit gebruiken ze vooral bij het overlappen van de vleugelspelers. De laatste jaren is er een tendens naar meer gestalte bij deze vleugelverdedigers. Ze hebben vaak de grootste aerobe uithouding van het elftal.

     

    • Uithouding: +++ VO2 max 62-66
    • Snelkracht: ++
    • Snelheidsuithouding: +++
    • Kracht: +
    • Wendbaarheid: ++
    • Snelheid: +
    • Gestalte: +
    • Herstel capaciteit: ++




    Centrale middenvelders zijn bijna steeds in beweging (motor van de ploeg), wat zich vertaalt in heel wat afstand aan lagere snelheid gecombineerd met veel korte sprints. Verder zijn middenvelders wendbaar en maken ze de meeste richtingsveranderingen.

     

    • Uithouding: ++ VO2 max 60-65
    • Snelkracht: +
    • Snelheidsuithouding: +
    • Kracht: +
    • Wendbaarheid: +++
    • Snelheid: ++
    • Gestalte: +
    • Herstel capaciteit: ++ 

     

    Vleugelspelers leggen de meeste afstand af in totaal. Ze onderscheiden zich vooral in het aantal inspanningen aan hoge snelheid. Hoewel ze de meeste afstand afleggen is hun VO2 max iets lager dan bij vleugelverdedigers omdat ze snelheid (een groot aantal snelle vezels haalt de VO2 max naar beneden) nodig hebben om hun rechtstreekse tegenstander te passeren.

     

    • Uithouding: +++ VO2 max 62-66
    • Snelkracht: ++
    • Snelheidsuithouding: +
    • Kracht: +
    • Wendbaarheid: ++
    • Snelheid: +++
    • Gestalte: +
    • Herstel capaciteit: +++ 

     


    ·       Uithouding: +++ VO2 max 55-59

     

     

    De statistieken van aanvallers tonen steeds grote standaarddeviaties. Dat geeft aan dat aanvallers niet echt een bepaalde morfologie of fysiologie hebben. Je hebt zeer grote kopbalsterke spitsen, maar ook kleine wendbare spelers. Het is ook de positie in het elftal die het meest beïnvloed wordt door het spelsysteem van de coach.

     

     

    10.3.6 Effect van een rode kaart op de belasting tijdens een wedstrijd 

    In een recent onderzoek van Carling (2010) werd de impact onderzocht van een vroege rode kaart. Daaruit bleek dat de 10 overige spelers een grotere afstand aflegden dan in een normale wedstrijd. Vooral de activiteiten aan gemiddelde intensiteit verhoogden en het herstel tussen de activiteiten daalde. Uit deze analyse zou je kunnen concluderen dat spelers tijdens een normale wedstrijd geen maximale prestatie leveren. Anderzijds blijkt uit dit onderzoek dat de afgelegde afstand naar het einde van de wedstrijd toe significant daalde. Daaruit blijkt dat door de grotere inspanning die de spelers leveren de vermoeidheid sneller intreedt. 

     

     

    10.4 Samenvatting 
    • Voetbal moet zo specifiek mogelijk getraind worden. Het is daarom belangrijk dat de training voor elke speler individueel zo kort mogelijk tegen het activiteitenprofiel tijdens een wedstrijd ligt.
    • Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat voetbal in de laatste twintig jaar een opmerkelijke fysieke ontwikkeling kent. Zo worden er vooral meer inspanningen aan hoge intensiteit gedaan, is er minder hersteltijd tussen deze inspanningen en wordt er meer gesprint.
    • De morfologie (lichaamsvorm) van voetbalspelers veranderde van ectomorf naar mesomorf.
    • Minder dan 2 % van de afstand wordt afgelegd met bal.
    • Er wordt tijdens een wedstrijd ongeveer tien kilometer afgelegd.
    • Ongeveer 250 meter wordt er gesprint, verdeeld over een 25-tal sprints.
    • Voetballers lopen ongeveer 800 meter aan hoge intensiteit.
    • Centrale middenvelders en vleugelspelers leggen de meeste afstand af.
    • Er zijn verschillende posities op het veld.
    • Topspelers leggen vooral meer afstand af aan hoge intensiteit in vergelijking met spelers van lager niveau.
    • Er zijn weinig verschillen in activiteitenprofiel tussen verschillende spelsystemen.
    • Rode kaarten hebben een effect op het activiteitenprofiel.

    Voetbalconditie, tussen praktijk en wetenschap

    "Ik heb zelden een coach gezien die de wetenschap zo goed naar de voetbalpraktijk kan vertalen." Aad de Mos over Jan Van Winckel

    In het eerste gedeelte wordt dieper ingegaan op het lichaam van een voetbalspeler. Hoe werkt een spier, welke energiesystemen gebruikt een speler en wat is het verschil tussen extensieve en intensieve oefeningen.

    "Mede door en dankzij zijn visie, vakmanschap en professionaliteit kenmerkte het team [Club Brugge] zich door een fantastische algemene fitheid en een extreem laag aantal blessures." Adrie Koster

    Die inleiding vormt de basis om dieper in te gaan op de verschillende aspecten van de trainingsleer. Waarom ontwikkelt de ene speler sneller dan de andere en waarom zijn individualisering en differentiëring noodzakelijk om spelers beter te maken? Ten slotte wordt die kennis vertaald in praktische toepassingen zoals oefenstof, blessurepreventie en een handige leidraad om het voetbalseizoen te plannen.

    "Tijdens zijn periode als trainer-coach bij Club Brugge bewees Jan Van Winckel dat zijn stevige wetenschappelijke benadering tot sprekende resultaten leidde. In de trainingsaanpak van onze club zorgde hij dan ook voor een nieuwe dimensie, gesteund, niet op intuïtie, maar veeleer op fysiologische en biomechanische criteria." Michel D'Hooghe

    Dankzij de verschillende expertises van auteurs en co-auteurs is het boek een mooie mix tussen wetenschap en praktijk en daarom een onmisbaar handboek voor elke voetbaltrainer.

    LEES ARTIKEL HIERONDER:


    Gerelateerde pagina's
    Trainingsleer
    Sporttraining